Door op 3 februari 2014

Investeren in mensen

Naast investeren voor mensen waar ik in een vorige bijdrage over schreef is het minstens zo belangrijk, zo niet belangrijker dat we ook blijven investeren in mensen.

Investeren in de kansen van mensen om mee te doen in de samenleving, investeren in maatregelen die mensen stimuleren en in sommige gevallen dwingen om mee te doen aan de samenleving.

De forse keuzes die in Den Haag worden gemaakt, maken dat niet eenvoudiger, maar de decentralisatie van verschillende taken, waaronder de aanpak van de “onderkant” van de arbeidsmarkt bieden wel kansen. Kansen om mensen die vaak al jaren aan de kant staan mee te laten doen in de maatschappij. Een aanzienlijke groep mensen en ook verschillende politieke partijen keren zich tegen de verplichte tegenprestatie. Ik begrijp daar helemaal niets van. Het kan niet de bedoeling zijn dat deze nieuwe verplichting ontaardt in een heksenjacht op mensen in de bijstand die niks voor hun uitkering doen. Daar ben ik ook absoluut tegen. Het gaat mij ook niet om de gedachte dat mensen iets terug moeten doen voor hun uitkering. Daar hebben mensen die dat nodig hebben gewoon recht op. Uitgangspunt is dat ieder in zijn of haar eigen levensonderhoud voorziet en wanneer dat (tijdelijk) niet lukt biedt onze samenleving een fatsoenlijk vangnet. Voor teveel mensen leidt te lang hangen in dit vangnet echter ook tot uitsluiting en niet meer meedoen aan de maatschappij. Dat is voor niemand goed. Niet voor degene die het treft en ook niet voor de maatschappij als geheel, die de kracht en mogelijkheden van teveel individuen daardoor moet missen.

 

En dan het verplichte karakter. Ik ben er van overtuigd dat het overgrote deel van de mensen in een uitkeringssituatie graag iets nuttigs doet. Sterker nog, een groot deel van de mensen met een bijstandsuitkering doen dat al. Uit onderzoek van de gemeente Groningen blijkt bijvoorbeeld dat ruim 50% van de mensen met een uitkering vrijwilligerswerk doet. Door als vrijwilliger actief te zijn bij de voetbalvereniging, door als vrijwilliger te helpen in een verzorgingshuis, bij de kinderboerderij, in de speeltuin of ook gewoon door mantelzorg te bieden aan familie of vrienden. Die hoef je niet te motiveren om iets terug te doen voor de uitkering, dat doen ze vanuit hun eigen motivatie. Voor een kleine groep ligt dat anders. Die kan uit eigen beweging niet tot iets komen en moet gemotiveerd worden om iets te doen. Een nog kleinere groep wil ook niets. Voor die kleine groep is het wel degelijk goed om een verplichting op te kunnen leggen om iets voor de maatschappij te doen en sancties tegenover de weigering om iets te doen te kunnen te stellen. Daarom ben ik een groot voorstander van de verplichte tegenprestatie. Wel zou het goed zijn een aantal scherpe kantjes er af te halen. Zo vind ik de sancties die het rijk voor wil schrijven veel te zwaar (3 maanden geen uitkering) en vind ik dat gemeenten meer ruimte moeten krijgen om maatwerk te leveren. De laatste bewegingen in Den Haag suggereren dat die aanpassingen er komen. Een goede zaak.

 

Met enkele aanpassingen en nuanceringen geloof ik daarom wel in de noodzaak om een tegenprestatie voor te schrijven. Niet om mensen “iets terug te laten doen voor hun uitkering die ze van ons belastinggeld krijgen”. Wel omdat het voor iedereen individueel en voor de maatschappij als geheel goed is dat iedereen meedoet. Mensen worden niet uitgesloten, niet vergeten en wel gezien. Dat is de meerwaarde voor onze maatschappij.

Ger Lindeman